8:30 - 19:00

Ma t/m Vrij

Lokaal tarief

Btw-aftrek bij gemengd gebruik

Btw-aftrek is toegestaan voor zover de kosten worden gemaakt voor btw-belaste handelingen. Er zijn meerder methoden hoe de aftrek moet worden bepaald bij gemengd gebruik. Dit geeft in de praktijk dan ook regelmatig voer tot discussies. De Hoge Raad heeft zich onlangs gebogen over een zaak waarin een gemeente een sporthal exploiteert, maar ook dit arrest roept weer de nodige vragen op.

In beginsel is het recht op aftrek van omzetbelasting een grondrecht voor ondernemers. Het huidige btw-systeem is er immers, in tegenstelling tot het voormalige cascadesysteem waarin geen aftrekrecht bestond en omzetbelasting over omzetbelasting werd berekend, gericht op dat de omzetbelasting in de bedrijfskolom geen kostenpost mag vormen en de uiteindelijke btw-druk bij de consument komt te liggen. Het is immers een verbruiksbelasting en het verbruik ligt bij de eindgebruiker c.q. de consument. Slechts bij btw-vrijgestelde prestaties bestaat er geen recht op aftrek en zal de berekende omzetbelasting bij de ondernemer een onderdeel worden van de uiteindelijke btw-vrijgestelde verkoopprijs.

Door in de wet- en regelgeving op te nemen dat de aftrek beperkt is tot kosten die worden gemaakt voor btw-belaste handelingen, wordt dus de aftrek uitgesloten voor zover de kosten zien op btw-vrijgestelde handelingen. Ter zake is bij gemengde prestaties bepaald dat het recht op aftrek wordt vastgesteld overeenkomstig een verhouding op basis van de btw-belaste omzet (exclusief omzetbelasting) ten opzichte van de totale omzet (exclusief omzetbelasting). Mocht deze verhouding niet overeenkomen met het werkelijk gebruik, dan mag aftrek plaatsvinden op basis van het werkelijk gebruik, mits het werkelijk gebruik objectief is vast te stellen.

Als een ondernemer zowel btw-belaste als btw-vrijgestelde prestaties verricht, is een verhouding op basis van omzet relatief eenvoudig vast te stellen. Dit wordt een ander verhaal als de ondernemer naast zijn ondernemersactiviteiten ook niet-economische activiteiten (handelingen om niet) verricht. Helaas is voor deze situatie niets in de wet- en regelgeving vastgelegd en komt het veelal op de creativiteit van de betreffende ondernemer of zijn adviseur aan.

Hoge Raad d.d. 10 januari 2020, nr 18/00350

In deze zaak betreft het een gemeente die een aantal sportzalen bezit, die zij deels om niet aan basisscholen en deels tegen vergoeding aan sportverenigingen en scholen voor voortgezet onderwijs ter beschikking stelt. Zij verrichtte dus zowel niet-economische als economische activiteiten, waarbij een recht op aftrek op basis van omzetverhoudingen geen uitkomst bood. De gemeente berekende haar recht op aftrek met betrekking tot instandhoudingskosten voor de btw-aangifte december 2014 op basis van de daadwerkelijk aantal btw-belast verhuurde uren en het totaal aantal uren werkelijk gebruik. In bezwaar ging zij er echter vanuit dat ook het aantal uren dat de zalen niet werden gebruikt, maar wel open stonden voor gebruik, dienden te worden toegerekend aan het btw-belaste gebruik. Hierdoor steeg het recht op aftrek aanzienlijk. De inspecteur was het hier niet mee eens en bleef bij zijn standpunt dat de oorspronkelijke berekening op basis van werkelijk gebruik de juiste was. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden was het hier mee eens, omdat de verhouding op basis van werkelijk gebruikte uren voor instandhoudingskosten, zoals water, elektriciteit en onderhoud, naar haar mening beter aansluit bij werkelijk gebruik dan bij een eventueel bestemd gebruik.

Secondair was de gemeente van mening dat de eerste berekening onjuist was, omdat zij de zalen op basis van een schoolrooster ter beschikking stelt, maar binnen dit rooster niet alle uren door de basisscholen worden gebruikt. Deze uren dienen dan naar de mening van de gemeente uit de berekening te worden geëlimineerd. Het gerechtshof heeft dit standpunt afgewezen, omdat zij de oorspronkelijke methode correct achtte, zonder het secondaire standpunt van de gemeente nader te beoordelen.

De Hoge Raad stelt in eerste instantie dat er noch in de Wet op de omzetbelasting 1968, noch in de Europese btw-richtlijn 2006 voor een dergelijke toerekening regels zijn gesteld. Hierbij brengt zij in herinnering dat lidstaten wel moeten waarborgen dat het in aftrek gebrachte btw-bedrag evenredig is aan het bedrag van de handelingen waarvoor recht op aftrek geldt.

De Hoge Raad stelt voorts dat een berekening objectief moet weergeven welk deel van de kosten aan de niet-economische en welke aan de economische activiteiten moet worden toegerekend en dat bij het ontbreken van een nationale regeling het aan de nationale rechter is om een dergelijke berekening te beoordelen. Dit is wat het gerechtshof heeft gedaan en kan dientengevolge niet tot cassatie leiden. Het secondaire standpunt van de gemeente kan naar de mening van de Hoge Raad wel tot cassatie leiden, omdat het gerechtshof heeft verzuimd om nader op dit standpunt van de gemeente in te gaan. De Hoge Raad stelt daarom, dat er verwijzing moet volgen voor een nieuwe behandeling van het secondaire standpunt van de gemeente en voor zover die stelling juist wordt bevonden het recht op aftrek overeenkomstig die stelling dient te worden vastgesteld.

Bericht delen

Share on facebook
Share on google
Share on twitter
Share on linkedin
Share on pinterest
Share on print
Share on email